Tabaksreclame zet jongeren aan tot roken

Amerikaanse studie bewijst

BRUSSEL — Liefst 40 procent van de jongeren begint te roken onder invloed van de tabaksreclame. Dat blijkt uit onderzoek in Amerika. Daarmee wordt de bewering van de tabaksindustrie als zou tabaksreclame er niet op gericht zijn nieuwe rokers te creëren maar bestaande rokers naar een specifiek merk te lokken, ontkracht.

Professor John Pierce van de University of California in San Diego heeft vastgesteld dat de reclame bij 40 procent van de tieners verantwoordelijk is voor hun rookgewoonte. Tabaksreclame op borden, bij sport- en televisiemanifestaties, in tijdschriften en zelfs gewone naamsvermelding op kleding bepaalt dus wel degelijk mee of kinderen tussen 12 en 16 jaar al dan niet aan het roken gaan. In de VS is tabaksreclame nog altijd toegestaan behalve in een straal van 300 meter rond de scholen. Een verbod dat de tabaksindustrie overigens respecteert.

Pierce, die meer dan 1.600 Californische jongeren tussen de 12 en 14 interviewde, zegt dat de reclame zelfs sterker is dan het anti-rookgedrag van de ouders. Van de jongeren die in 1996 nog niet rookten, bleek in 1999 30 percent begonnen te zijn. Kinderen van ouders die het roken afkeuren, hebben 50 procent minder kans te beginnen roken. Wie heel strenge ouders heeft, loopt 80 procent minder kans. Wie lakse ouders heeft, maakt slechts 40 procent minder kans om nooit te gaan roken.


Autoracers als voorbeeld
“Natuurlijk kan ik niet bewijzen dat de tabaksindustrie de jeugd bewust verleidt”, zegt Pierce. “De jongeren geven zelf aan dat ze interesse kregen in roken door de reclame of de associatie van tabaksmerken met stoer en cool gedrag.”

“Als je trendy hemd dezelfde naam heeft als de sigaret die je aangeboden krijgt, dan is het toch normaal dat je ze gaat proberen. Hetzelfde geldt voor sporters en autoracers die voorbeeldfiguren zijn. Zij hebben alles onder controle, ze rijden in de kleuren van een tabaksmerk, dus zal tabak ook wel onder controle zijn.”

Uit het onderzoek blijkt dan ook dat een kwart van de rokers gelooft te kunnen stoppen met roken wanneer ze dat willen.

MVI
©Copyright De Standaard

De schande van het debat over tabaksreclame

Roken is ongezond. Wie het niet gelooft hoewel het in steeds grotere letters op elk pakje sigaretten wordt gedrukt, kan lering trekken uit de jongste bevindingen van de Wereldgezondheidsorganisatie. Inademen van rook verhoogt niet alleen de kans op longkanker met twintig procent. De jongste studies hebben aangetoond dat ook andere vormen van kanker, zoals blaas-, baarmoeder- en bloedkanker, veel vaker dan totnogtoe werd aangenomen door roken in de hand worden gewerkt.

Wereldwijd zijn er 1,2 miljard rokers. De helft van hen zal voortijdig overlijden door kanker, hart- en vaatziekten of andere aandoeningen die het gevolg zijn van hun verslaving.

Een legitieme vraag is daarom of reclame voor roken moet worden verboden. Op voorstel van toenmalig SP-kamerlid Louis Vanvelthoven besliste het Belgische parlement in 1998 van wel. Er kwam een totaal verbod op tabaksreclame dat vroeger inging dan het Europese verbod dat vanaf 2006 geldt.

Daar vielen nochtans serieuze argumenten tegen in te brengen. Waarom moet de wetgever reclame verbieden voor iets wat niet verboden is? Moet dan ook niet de reclame voor alcohol en snelle wagens aan banden worden gelegd?

En is de overheid eigenlijk niet hypocriet in deze? Officieel is ze gekant tegen roken en voert ze er regelmatig campagne tegen, maar intussen beurt ze wel miljarden aan belastingen op de verkoop van tabaksproducten. En wat gedacht van Europa dat subsidies blijft uitbetalen aan tabaksboeren in de zuidelijke lidstaten?

Al die argumenten kwamen ten tijde van de bespreking van de wet-Vanvelthoven ruimschoots aan bod. De uitspraak van de volksvertegenwoordiging was desondanks dat tabaksreclame moest ophouden.

Op zich is het dus niet zo verwonderlijk dat de Senaat gisteren dit standpunt in een plenaire stemming bevestigde. Wat wel verbazend en zelfs schokkend is, is dat die kwestie überhaupt weer aan bod moest komen.

Dat had niets te maken met vernieuwde inzichten in het inhoudelijke debat, maar louter en alleen met de niet aflatende lobbying van de autosportlobby, met name van de vrienden van Francorchamps en in mindere mate van Zolder.

Los van allerhande morele bedenkingen over energieverslindende snelheidssporten, kun je argumenteren dat het onnozel is om voor de Europese fanfare uit te lopen en dus een hoop inkomsten voor de streek af te wijzen. Het Formule-1-circus wijkt dan gewoon uit naar elders en de wedstrijd komt evengoed op de vaderlandse buis. Maar ook dat debat is vier jaar geleden gevoerd.

Het gisteren verworpen amendement van de heren Jean-Marie Happart (PS) en Philippe Monfils (PRL) wilde een paar jaar een uitzondering maken voor autosportwedstrijden met wereldwijde uitstraling. Voor sommigen vormde dat een discriminatie tegenover anders sporttakken. Ook dat is waar, maar naast de kwestie.

Net als in 1998 blijft één principe overeind. Het is dat een zichzelf respecterend parlement zich niet willoos voor de kar van een beschaduwde tycoon als Bernie Ecclestone, de paus van de Formule 1, laat spannen. Dat is waarover het écht gaat, alle andere argumenten dienen slechts om deze schande te verdoezelen.

Bart Sturtewagen

©Copyright De Standaard